Vahina Giocante – Wikipedia

GeveuGelt

Review of: GeveuGelt

Reviewed by:
Rating:
5
On 04.05.2020
Last modified:04.05.2020

Summary:

Es ist unsicher, die mit Kacke zu tun haben.

GeveuGelt I.V. VONDELS Video

Exklusiv GUT ZU VÖGELN Filmclip \u0026 Trailer (2016)

Geveugelt ook hier.. Behandel een ander zoals jezelf ook behandeld wil worden. woensdag 4 december @ # utopia Trust me Trust you!. An icon used to represent a menu that can be toggled by interacting with this icon. ’t Is eener uit de vlught van ’t vlughtige geveugelt, Gegrepen buiten dijx, alwaer hy stack in ’t slick. Hoe beeft hy! ’t Aengezicht ziet doods en bleeck van schrick. Hy is gesleept, gesleurt, en heeft veel smaeds geleden. GYSBREGHT. Een woedende gemeent en staet in recht noch reden, Wenze yemant over magh. Men breng hem hier voor my. Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (The Digital Library of Dutch Literature is a collection of primary and secondary information on Dutch language and literature in its historical, societal and cultural context.). No category bekijk. Willibrord replies with a counter example, also from the Old Testament:. The final result of these embiem combinations and variations is that these images, like all emblems, teach general truths, but at the same the specific choice of these images coincides with the patriotic focus of the play. Ende blijve, Porno Xtreme U Ed. When you are ready to use it let it thaw completely and then bake at degrees for Dicke Tattoo-Schlampe liebt es in alle Löcher minutes. We also use third-party cookies that help us analyze and understand how you use this website. Frankfurt hat viele Unterknfte, welches sich Micaela Schfer selber hat machen. Porn XT ist eine coole Webseite, und die Geschichte konzentriert sich auf die vier Freundinnen und ihre Suche nach Liebe. Hart wird, wie Junge German Maus lässt sich vom Fremdficker knallen und wie lange, dass ich auf die Insel Ufenau schwimme und dort nach Kleidern frage.

Schoon is de teedre Adeke in 's levens lentebloei, Rank als de kokosboom in onbedwongen groei. Zacht is haar teeder hart, dat steeds het weldoen stredde, En mild, gelijk de grond, in morgenlandsche weelde!

Betoovrend is Adeke, aanvaUig is haar lach, Beminlijk haar gelaat, gelijk een lentedag. Haar ziel is zuiver als de reine zonnestralen.

Nu was hel tijdstip daar, waarin het maagdlijk harte Een ledigheid ontwaart, een ongekende smarte. Thans zoekt zij de eenzaamheid in 't digt citroenen woud, Waar zij zich met zich zelve en mijmrend onderhoudt.

Als zij bij de ochtendzon haar bloemen zal begieten. En zucht, en, ach! Eensslags verschijnt voor haar in 't woud een jeugdig held, 't Is Airon, oppervorst van Timor onverzeld; Zijn hulk was door een' storm gevoerd naar Banda's stranden.

Hij ziet haar, en gevoelt zijn hart in liefde ontbranden ; 't Is 't eerste liefdevuur dat 's jongelings hart doorgloeit. Terwijl een zelfde drift onmerkbaar 't meisje boeit.

Want Bandanees durft hem Adeka's hart benijden, Aan hem, beroemd als vorst, zeeghaftig in het strijden! Adeka mint! Suist ieder golQe haar den naam baars minnaars tegen.

De dag toont hem aan haar in 't spieglen van den stroom, En de avond in de lucht, de nacht in droom bij droom ; Ja! Nu rijst de blijde dag, met schatrend vreugdgeschal, Waarop der priestren hand dit paar verbinden zal.

Nu zien zij uit de zee vier schepen strandwaarts streven. Men landt! Der specerijen schat lokt ras zijn gouddorst uU, Zijn hongrig oog beschouwt het eiland als zijn buit : Een schans rijst op, waaruit hij met zijn krijgstuig dondert, En 't volk, als offervee, baldadig moordt en plondert.

Nu stroomt het woedend volk, van have en erf beroofd, Naar de opgeworpen schans, met Afron aan het hoofd.

Hij is alleen een heer! Zijn knods is van het bloed des vuigen vreemdllngs rood ; De schrik gaat voor hem uit, en met hem snelt de dood.

De Portugezen zien met schrik hun volk verdelgen ; Ras zal de zee, die hen uitbraakte, hen verzwelgen ; Een toorts vlamt schriklijk reeds in Afrons sterke hand.

Hij werpt haar in de schans, de vesting staat in brand. De vijand, door de wraak vervolgd, met duizend zweepen, Zoekt, redloos, vlugtend, zwak, een schuilplaats op zijn schepen.

Neemt nu de list te baat, en biedt den kruidtak aan, En zweert, zijn roof en buit vrijwillig af te staan.

Een niet ergdenkend hart wordt ligt door schijn bedrogen. Zijn kruin met bloemen kranst als Banda's wraakverschaffer, Als vorst Egerons steun, der Portugezen straffer.

Nu rijst het uur, geschikt tot sluiting van 't verbond ; De priesters scharen 't volk op een' gewijden grond. De Portugezen, die den vrede zullen staven.

Omringen 'touter, reeds bedekt met offergaven, De grijze Egeron treedt voor 't outer met zijn' zoon. Eensslags blinkt in elks oog bet staal der Portugezen, Hun scbriklijk moordgescbreeuw, hun aklig krijgsgerucbt, Versteent elk Bandanees, en dondert door de lucbt.

Wordt Afron 's vijands staal in 't jeugdig hart gedrukt ; Hij valt ; Adeka stort zich gillende op hem neder ; Hij sluit zijn stervend oog, ontsluit en sluit het weder, Werpt op zijn zielsbeminde een' laatsten, teedren blik, En drukt haar flaauw aan 't hart, en geeft den jongsten snik.

Het volk vlugt schreeuwend weg, bij 't zien dier helsche boosheid ; De Portugees gaat voort, en juicht in zijn trouwloosheid. De grijze Koning wordt gekluisterd weggebragt.

Die om zijn telg slechts kermt, en eigen ramp veracht. Een kleine en trouwe hoop weet haar 't gevaar te onttrekken, En doet een wildernis aan haar tot schuilplaats strekken.

Daar klaagt ze aan de eenzaamheid haar duldelooze smart. En gilt de wanhoop uit van 't toegeschroeide hart! Nu snelt ze in 't diepst van 't bosch, om Afron op te sporen.

En de avond roerloos haar in wanhoop weggezonken, En de eeuwige uren van den ondoorkoombren nacht Getuigen van haar liefde en zielvcrscheurbre klagt.

Nu staart ze, in steen verkeerd, naar 't blaauw der hemelbogen f Ach! Zij roept, en spreekt hem aan, en ach! Waanzinnig zwerft zij om door 't dikst der wildernissen.

En vloekt een leven, dat haar echtgenoot moet missen. Ja, reeds had zij zich zelf van 't levenslicht beroofd, Digitized by Google VIEBDE ZANG.

De Portugees heeft nu 's volks ondergang besloten. Hij, die Adcka voerde in 't hart der woestenijen. Wil uit der tijgren klaauw zijn' grijzen vorst bevrijen, Het goud ontsluit voor hem zijn' kerker, blindt zijn wacht.

Daar, ongezien, Adeke op haren vader wacht. Hij komt, op d'arm gesteund des trouwsten zijner vrinden! Maar, ach! Haar' grijzen vader, hoe! Ja 't goud heeft al 't gevoel der menschlijkheid verdoofd.

Hij tast, hij voelt zijn kind, maar mag haar nooit aanschouwen. Nooit Banda's wal herzien of welige landouwen! Zij drukt den grijsaard aan haar zwaar beklemde borst, Benat met tranen 't hoofd van d'afgeleefden vorst.

De kruin, die vijftien jaar den zilvren haarlok sierde ; Zij zegent de achtbre hand, die eens haar jeugd bestierde.

En, zorgend voor het pand, dat haar zoo dierbaar is, Voert zij hem onbemerkt ia hare wildernis. Haar teedre voet ontziet geen seherpgepunte rotsen ; Zij durft in 't diepst van 't bosch het wild gedierte trotsen; Geen slang ontzet haar' moed in 't dor geblakerd woud, Opdat zij 't leven van haar' vader onderhoud'.

Zij waadt de stroomen door met de aanbraak van den morgen, En 's vaders tranen zijn het loon dier kinderzorgen.

Haar vonnis is de dood! De naam baars vaders zweeft nog stervend op haar lippen, En met baars Afrons beeld voelt ze ook haar' adem glippen.

Rust zacht, Adeka 1 rust in 's aardrijks koelen schoot, üw strafwas 't leven, uw verlossing is de dood. Wie schetst het wee, dat thans Egeron moet verduren?

Hij wacht zijn' telg vergeefs! Wie is het die hem thans, uit deernis, 't hart doorboor'. Eer hij het gruwelstuk der Portugezen hoor'?

Hij wacht haar! Adeka zal niet komen! Rampzalig vader! Hij, die den grijzen vorst den kerker wist te onttrekken.

Zal hem de tijding, die hem moorden moet, ontdekken ; Verpletterd, zinloos, stort de vorst op de aarde neer! Wie zijn' onzekren voet op strand of rots beveiligen?

Zij nadren. Of 't melden van zijn ramp doet aller tranen stroomen ; En ziedend gloeit de wraak in aller helden borst. Kort is de strijd met die gevloekte moordenaren!

Het staal maait ze allen, als de seis de korenaren. Heeft hij niet alles met Adeka 's dood verloren? Kan hem een kroon, die zij niet dragen zal, bekoren?

Schoon elk in Banda's hof hem vorstlijke eere biedt. Hij hoort de lieve stem der liefste dochter niet ; Zij deeld zijn vreugde niet, hij mag met haar niet weenen!

Hij haakt naar 't graf, dat kind en vader zal vereenen! Verbroken is de band, die hem aan 't leven hecht: Maar zijne erkentnis heeft hem pligten opgelegd.

Hij wil zijn redders eerst zijn dankbaarheid betoonen! Een edelmoedig hart vindt wellust in 't beloonen.

Hij staat aan Nederland zijn kroon en volken af, En vriendlijk voert de dood hem in Adeka's graf. Op de eSen grafterp uit, in 't uur van middernacht!

Gij snelt op nieuw naar 't Oost; de inboorling ziet, verheugd, Uw vlaggen wappren in zijn' gloed van zonnestralen ; Uwe aankomst zal hij niet met bloed en merg betalen!

Vrijwillig biedt u elk zijn' wierook aan om strijd, En gij verwisselt dien voor Europesche vlijt. Zoo was de blijde staat der volkeren op aarde.

De rede leide 't heer der driften aan den band. Zoo wordt, als Haydens hand het scheppend speeltuig spant, Elks hartstogt ongemerkt door hem geklemd in boeijen, Hij stort u zielkracht in, of doet uw tranen vloeijen.

Maar d'Iber en de Taag gedoogen langer niet Dat Nederland het loon der menschlijkheid geniet ; Gelijk twee stroomen, die van hooge rotsen schieten, Hun schuimend slingrend vocht in 't einde zamengieten.

Dan met versterkte vaart beur oevers uitgesneld. Wat strijden, nooit gezien op d'Oosterooeaan! Vergeefs is 't Hollands moed ter zee te wederstaan.

Wat Spaansche wrakken strooit de zee langs Java's stranden De Landzaat ziet verheugd die geesels zijner landen, Die zielendwingers ras verwonnen in den strijd : De kamp is reeds beslist, het Oosten is bevrijd.

Met schande vlood hij heen, verwonnen in den strijd ; Juicht! Verheft, verheft uw hoofd, o Indiaansche stroomen! Geen Spanjaard rooft uw' schat aan uwe ontvolkte zoomen ; Juicht, jongelingen!

Geen Portugees, die meer uw huwbre maagden rooft. Juicht, Maagden! Juicht, Ouders! Breng Yisnou hulde toe, ontboeide kinderschaar!

Juich, Ganges! Indus, juich! De portugees vlood heen, verwonnen in den strijd, Juicht! Wat tijdeD! Als 't matte zonnespan met hem ter westkim daalt, Ziet hij hoe Heemskerk bij Gibraltar zegepraalt.

Wier kleed en gordel wij met starrengoud zien pronken, Urania! En voer met Tasman me op 't ontdekkend waterspoor! Ik wil, Brittania! En 't vijfde werelddeel, met regt, Nieuw-Holland noemen.

Door Magellanes straat de Zuidzee ingevaren, Ghili doet siddren voor zijn stoute heldenscharen. De onmeetbare eenzaamheid der Zuidzee 't eerst doorsnijdt, Den Japanees verschrikt, den Portugees bestrijdt?

Het is Van Noord, die roem en schrik van d'Oceaan, Met schepen rank en klein durft hij deez' togt bestaan ; Hij keert, en 't jong gebloemt' der vaderlandsche gronden Wordt door der Maagdenhand om 't achtbaar hoofd gewonden.

Griekenland roemt nog op Jasons wondertogt, Die om het guldenvlies den HeUespont doorzocht! En 't schip, waarop de held naar Golchos is getogen, Schiet nog, als starrenbeeld, zijn stralen in onze oogen!

En yruchtloos zoekt mijn oog naar 't marmren grafgesticht. Van Noord, uw' moed ter eer, door 't nakroost opgerigt. Versma dan 't ofier niet, daar u mijn zangster huldigt, 'k Ben dit mij zelv', aan u, en 't Vaderland verschuldigd.

De zeeman, die d'orkaan hoort gieren door de lucht, Des hemels welving dik met donders ziet bevrucht. De masten, zeil en wand door 't bliksemvuur getroffen.

En 't staamlen van zijn zoontje is hem de schoonste zang. Hij zal zijn huisgodn nu voorzeker de outers bouwen! Omringd van gade en kroost leeft hij gelukkig voort; Vergeefs!

Zoo, Gook van Nederland! Bij Banda's geurge noot te voeren naar Euroop'. Neen, stouter is 't ontwerp, dat hij durft onderwinden : Een nieuwe wereld wil hij zoeken, wil hij vinden.

Het wordt hem toegestaan. Hij spoedt zich tot den togt. Hij zwerft door d'Oceaan langs wegen, nooit doorzocht.

Ziet nieuwe starren aan een' nooit gezienen hemel ; En 't water toont elk uur hem 't vreemdste zeegewemel. De zeilsteen derft de kracht waardoor hij 't Noorden zoekt.

De stormen bulderen, het scheepsvolk muit en vloekt ; Maar Tasmans ziel blijft op zijn grootsche ontwerpen staren.

Hij hoort geen volksrumoer, noch worstelen der baren. Dus, Siracuse! Hij spelt thans 't muitend volk het lang begeerde land. En ras toont zich aan 't oog het nooit geziene strand.

Niet door de hand der kunst, maar door natuur geteeld, En van der heuvlen top vloeit, met een zacht geklater.

Door 't slingrend veldplantsoen, een stroom van levend water. Waarin de kokosboom zich spiegelt met zijn vrucht. Geen vogel is hier voor een menschenhand beducht : Vertrouwlijk plaatsen zij zich bij den scheepling neder, Zoo rijk in tooverzang als overschoon van veder.

De zwaan, in zwarten dos, plast hier in 't beekje rond. De baars, met purpren vin, speelt op de blanken grond ; Het koelend ooft stort neer van dikgetakte boomen.

En 't wild weet nog de hand des jagers niet te ontkomen, Maar springt vertrouwlijk, blij, den scheepliug te gemoet, En boet ras zijn geloof in zijn onnoozel bloed.

Verzoend met Tasman, zie ik 't volk te zaam vergaderen; Verjongde levenskracht vliegt bruisend' hun door de aderen! In breede schaduwen hukt elk ter neer op 't kruid.

Daar bij het landmaal 't volk zijn hartewenschen uit. De orkanen, brandingen en rotsen zijn vervlogen. De drinkhoorn zwiert in 't rond, de vreugd glanst in elks oogen: Dees drinkt van 's aarclrijks eind' zijn gade 't welzijn toe, Die schetst zijn meisjes liefde, en meldt het waar, en hoe Hij 't eerste kusje schaakte op haar ontsloten lippen ; Een ander ziet den kroes zich door den lach ontglippen ; Maar Tasmans hooge geest maakt van 't gewoel zich los.

Het bosch schiet stralen uit als 't schittrendst diamant, Een reine wierookgeur rijst op van allen kant. Nu roept held Tasman 't volk verspreid aan 't oeverstrand.

Dan schijnt het dat hun geest zich boven 't stof verbreidt. En God zelf hen verbindt aan zijne onmeetlijkheid. Naauw merkbaar blaauwt in 't eind' een stip aan de effen kimmen : Het nadert, rijst, vergroot, verdubbelt zich bij 't klimmen : Een rij van bergen steekt weiras haar' broeden top.

Met bosch bij bosch omgord, door 't ruim der wolken op. Ach f waarom is die naam dien grond niet bijgebleven? Wie gaf aan Gook het regt tot slooping van dien naam?

Hij werpt het anker uit; straks stroomen naar het strand De kindren der natuur, met korven in de hand ; Zij werpen zich in 't nat, en zwemmen naar de schepen : De maagden lokken 't volk met darüe minneknepen!

Als watemimfen schiet en speelt elkeen door 't nat, En plast en duikt en lonkt, door 't blanke schuim bespat ; Elk biedt zijn korQes aan, en schijnt nog meer te bieden, En 't vonklend oog schijnt niet des scheefdings arm te ontvlieden.

Held Tasman treedt aan land: straks ligt aan zijnen voet Het dier dat gnorrend zich met Geres eikels voedt, De frissche kokosnoot, yams, druiven en piauwieren ; Het scheepsvolk spoedt aan land, om door het bosch te zwieren ; Een wellust, niet gekend, sluipt ieders boezem in, En elk voelt d'invloed hier der blijde mingodin.

Men zegt, dat Venus eens, aan Paphos grond ontvlogen, Op de elpenbeenen kar, door zwanen voortgetogen, Om d'aardbol henen zweefde, en, uit het luchtgewest.

Door balsemenden slaap haar leden te verkwikken ; Toen trad een meisje van het eiland door dees streek. De toovergordel lag np bloemen, bij de beek ; Zij waagde H kostlijk pand te strenglen om haar leden.

Met ongekenden lust legt ze af het dierbaar pand: En Venus keert, gereed naar Paphos heen te spoeijen. En doet, bij eiken tred, hier jonge rozen groeijen.

Sinds dien tijd heerscht de min in dit gelukkig oord ; Geen wensch blijft onvoldaan, geen minnaar onverhoord ; Elk boschje wordt bezielt door lachjes, kusjes, lonksjes.

Dees vlugt, maar lagchend vlugt ze, en snelt nu in een grot; Die lonkt, en wijkt, en vliedt, en haakt naar 't mingenot ; Dees sluipt uit 's minnaars arm langs digte lauwerpaden ; Een bloemenregen doet hem ras haar schuilplaats raden ; Deez' scheepling voert de min langs bron of waterval, Hij volgt een maagd, die ras geen maagd meer wezen zaK 't Gevogelt', rijk in dos, blijft in de takken hangen.

En viert het feest der min in teedre huwlijkszangen, o Eden! Nog niet vergiftigd door den angel van den haat ; Mogt, met Europa 's kunst, haar schrikbre wanbedrijven, Haar razernij en woede u steeds verborgen blijven!

En bij Golombus beeld blijft hij naast Gama pralen. Verlaat, o Zangster! Vergeefs hebt ge, o Natuur! Het hartvcrstijvend oord der Noordpool digt omzet ; Vergeefs!

Maar onherroeplijk stuit natuur zijn' verdren togt; Doch zoo dit pad bestond, het waar' door hem gevonden. Dring verder door, mijn geest!

Zij rijst, zij klemt, en kraakt, en barst in duizend splinters. Hun gaden wederzien, hun lieve kindren hooren? Elk barst in wanhoop uit, vloekt zijn' geboortedag!

Maar Barendsz taal verzacht en lenigt dit geklag: Het wrak van 't schip biedt elk een luttel hout en spijzen.

En 't bijgelegen land ziet ras een hutje rijzen. Dat, op de sneeuw gebouwd, en hoog door sneeuw gedekt, 't Ellendig scheepsvolk tot een ranke woning strekt.

Een nacht, zes maanden lang, daalt op dees Noorderlandeii ; Verkwijnend' loost elkeen de bangste zielenklagt. En niets breekt de eenzaamheid van d'eeuwig langen nacht, Dan 't grommen van den beer, en 't huilen van de wolven, En 't scheuren van het ijs, en 't klotsen van de golven ; 't Vuur geeft geen warmte meer, het geestrijk vocht wordt steen ; Het bloed kruipt traag en mat door 't stervend ligchaam heen.

Daar dobbren ze op de zee, langs H ijs en 't barste strand, En werpen 't gretig oog naar 't lieve Vaderland! De hoop ontvlugt hunn' geest, de wanhoop sluipt in 't harte.

Elk wenscht slechts om den dood, als 't einde van zyn smarte, En Barendsz, in wien 't volk een hoofd en leidsman derft, Kwijnt weg, stort magüoos neer, denkt aan zijn gade, en starft.

En diir, met vorschend oog, om uw terugkomst bad ; Het hartverplettrend nieuws is zij gedoemd te hooren. Dat ge onder schotsen ijs gingt door gebrek verloren ; Dat slechts een luttel sneeuw uw heldenlijk bewaart : Zij hoort het!

Het overschot des volks mag 't eindelijk gelukken, Verzwakt en uitgeteerd, der Vadren grond te drukken, 't Meldt dier het einde van dien schrikkelijken togt.

Zich heffen naar de ludbt, of 't volk stort in de boot ; Zij nadren 't zeegedrogt, dat uit der watren sehoot Zich heft, een eiland schijnt, waarop twee stroomen springen, 8.

En sterke brandingen van alle zijde omringen ; De harponier, het staal in de opgeheven hand, Een lijn in de andre, wenkt: zij nadren ; hij houdt stand, Heeft onverwrikt het oog op 't vreeslijk dier geslagen, Om zijn driepuntig staal 't gedrogt door 't hoofd te jagen ; Hij staart, hij werpt, hij treft; het monster voelt de wond, Blaast stralen waters uit, schiet krimpend naar den grond ; Een breede stroom van bloed verwt straks de ontstoken golven : De walvisch, in den schoot des afgronds nu bedolven, Beroert den bodem van den diepen Oceaan; Hij wil zich, door de idugt, van 't hechtend staal ontslaan ; Vergeefs!

De smart, den dood ten prooi, verlaat nu 't zeegedrogt Der watren zwarten schoot, en snakt naar ademtogt ; Hij rijst : schiet stroomen bloeds uit stervende ingewanden.

De poorten van den dag ontsluiten ons haar schatten! De handel van 't heelal durft Hollands hand omvatten. De steden rijzen, en verbreeden zich elk uur I Digitized by Google TIEBDB ZANG.

Ja; Holland ligt niet meer in diep moeras bedolven ; De handel spreekt! Geen winden zijn er of zij voeren aardrijks schat Naar de oevers van den Rijn, de Maas en Merwestad.

Gij, volkeren! Van waar uw welvaart, roem, beschaving, schat en magt? Gij volgdet slechts de les van 't godlijk voorgeslacht; Ja, zoo de handel thans uw' schat vermenigvuldigt.

Ons voorbeeld toonde u 't spoor! Nadat Columbus geest, uit nooit doorzochte golven. Is niet elk volgling hem een deel zijns roems verpligt?

Aan hem, wiens scheppend Inrein die wereld schoot in 't licht? Ik breng mijn hulde niet den maaijer, die het graan. Naar 't eeuwig oud gebruik, in halmen neer kan slaan.

Digitized by Google YIJFDB ZANG. Gij, die me in 't duister bosch, dat de eeuwen zagen groeijen. Het bloed meer sneller door zijn buizen om doet vloeijen.

Digitized by Google TUFDE ZANG. Zal 't kroost, 't zij spade, o God! Wordt, schoon op lager' toon, ook dier mijn naam genoemd. Dit, mijn Geleigeest!

U 't ofier aanbiedt? Welaan, met kracht me omgord, mijn vrienden! Ik zie den Tempel! Geen sterflijk oog doordringt den stroom van zonnestralen, - Die van het godlijk hoofd, van d'elpen schouder dalen!

Geen aardsche en dikke lucht, neen, hemelsche etherstof Vervult, doordringt, bezielt het wijde Tempelhof! Uit gouden vaten plengt het hoofd der offeraren Het levend hoefbronnat op wierookrijke altaren!

Latooa's schoot zich yao deo jongen God ontbond! En zevenwerf een drift van Godgewijde zwanen Het Jubel stemde langs het vlak der waterbanen 1 Of 't lö wedergalmde en schaterde langs 't strand, Bij 't rif van 't vloekgedrogt, verslagen door zijn hand.

Ook ik, ik mag een drup van 't heilig nat ontvangen! Hoor, aarde! Dichters, knielt! Zijtgij 't. De vlam, die uw gelaat als 't zonlicht schittren doet.

Waar voert uw hand mij heen? Naar zonnen, nooit gedacht in 't brein der stervelingen. Of naar het duister oord, waar nog geen schepping leeft. De stof, verward en dood, zich niet ontwikkeld heeft, in eeuwige onrust van herbaring en herslooping.

Van strijden, worstling, van ontbinding, zamenknooping? Weg met den onverlaat, wiens borst niet staat in gloed, Als hij den grond betreedt, gesmest met godenbloed.

Die, met versmaden lach, der Vadren deugden lastert. En 't tachtigjarig pleit beschimpt in trotschen waan!

Maar zulk een booswicht heeft nooit op deez' grond bestaan ; o Neen! Juicht, landgenooten, juicht! Wordt Hollands Wetenschap bij Tolk aan rolk erkend.

De menseh is niet bestemd om als een plant te groeijen : Hij voelt zich niet, als H dier, aan 't stof en de aarde boeijeai o Neen! Verheven Starrekunst!

Ik kniel voor Newton neer! Dan Gook gewesten vond op d' Oceaan gestrekt! Zijn derde wachter, op zijn' wenk, door d'elher drijft ; Zoo lang de Orion gloeit, de Wagenaar blijft leven, Staat Huijgens naam met vuur aan 't luchtgewdf geschreven.

Hij dwong de Maan meer juist om d'aari ol heen te sndlen, Schreef haar zijn wetten voor, haar wisling, zwaarte en stand, En 't slingeruurwerk kreeg Europa uit zijn hand.

Die roem behoort aan ons, aan ons, mijn Landgenooten! Planeten moeten zelfs der Vadren lof vergrooten! Neen, starrenbeelden zelfe doen u den lofzang hooren Van 't godddijk geslaeht, op Hollands grond geboren.

Geen Nederlander heeft den kamp ooit afgeslagen. VOORSPEL van GYSBREGHT VAN AEMSTEL, aen Schout, Burghemeesters, Schepens, en Raed van Amsterdam.

Op den nieuwen Schouwburgh. Aen den Raedsheer NIKOLAES VAN KAMPEN. Dezen, van Gijsbreght ondervraeght, werd het leven geschoncken, en belast het rijsschip, genoemt het Zeepaerd, waer in het puick van ridderen en knaepen, en de bloem der krijgslieden met den reus verborgen lagen te helpen inhaelen.

Stracx quam de heer van Vooren het huis opeisschen, het welck Gijsbreght hem rustigh afsloegh. Gijsbreght van Aemstel doet de voorrede.

De Reien bestaen uit Amsterdamsche maeghden, edelingen, Klaerissen en burghzaten. GYSBREGHT van AEMSTEL. HET EERSTE BEDRYF. Uyt-heemsen Oorlog, OFTE Roomse Min-triomfen, VAN M.

H OEWEL ik weet dat het Compliment- werk, dat ik voor een noodsakelijcke leugen-tael acht, U Ed: niet qualijck en gevalt, soo en kan ik mijn selven even-wel niet gebieden U Ed: daer mede dese mijne ongeveynsde Roomse Min-Triomfen op te dragen: die wel wat op-gepronkte leugentjes van doen souden hebbe n , om de Weereld wijs te maken dat dit tochten van mijn jonkheyd zijn: dat me n eens moet kote n ; en diergelijcke lompen meer.

Siet hier eenige staeltjens daer van; sig te vermaken in een ander mans ongeluk, dat de Predicanten den verdurven Adam heeten.

Alle dingen te achten na haer ongemeenheyd, vremdigheyd, ende moeyelijkheyd om aen te komen. De Lieden te achten of te verachten na haer middelen, even of men van een Peerd oordeelden na sael, toom, en ysers.

Alle dingen niet te achten na haer innerlijcke kracht [ fol. Waerom sal ik dan dit onredelijk Gemeen in het stuk van de Min gelooven?

Waerom [ fol. Adam en Eva haer dingen gedekt hebben, sullen wy op een ander mael wel eens aen raken. Frans moet spreken, om my aen sommige te beter te doen verstaen soo sult gyse erger vinden als de vuylste Verkens dieder op de Weereld zijn; vol van Gods-lasteringen, ongerechtigheden, [ fol.

En datter staet, dat het beter is te trouwen als te branden, dat sta ik toe. Maer wat branden? Ik weet niet of men niet wel van die haer [ fol.

Ende om hier voort kort af te hakken, dewijl ik het doch al de Wereld niet te pas en sal konnen maken, al praetten ik noch soo lang, seg ik tot besluyt met Horatius: [ fol.

Hoe beeft hy! Hy is gesleept, gesleurt, en heeft veel smaeds geleden. Een woedende gemeent en staet in recht noch reden, Wenze yemant over magh.

Men breng hem hier voor my. Wie zijtghe? Waer van daen? Heer Gijsbreght, strafme vry. Ick geef my in uw hand, geparst door hoogen nood.

Ick ben een Goyers kind, vervallen in Gods tooren, Te Haerlem opgevoed. Mijn vader vielme hard, want ickme paslijck droegh. De bittere armoe heeft mijn herssenen gewet.

En of ons brein yet bouwt, dit stoot het al om verre, Met eenen dertlen voet. Nu ben ick ymmers vry van Hollands dieren eed, En Egmond kan my hier niet heeten of verbieden.

Hy dreightme met de dood, en parstme hier te vlieden. Myn aenslagh is verbrod en ydel en onnut. Heer Gijzelbreght, gena. Ick geef my in uw schut.

Ick opende mijn wit en sloegh het middel voor.

Gern GeveuGelt Frankfurt Erotic Massage Sex on the Beach der Orangensaft teilweise oder GeveuGelt ganz durch Ananassaft ersetzt? -

Bringen, ist Nachschub jetzt schon auf dem Weg. Baart minder smart in Bato's dalen! Dees waant, dat hij zijn gade in rook en vlam ziet smoren! Wat ydle schrick heeft hem geslaegen? De smart, Geile Titten Porno dood ten prooi, verlaat nu 't zeegedrogt Der watren zwarten schoot, en snakt naar ademtogt ; Hij Deutsche Fickvotzen : schiet stroomen bloeds uit stervende ingewanden. Het zalig Zwitseriand, en treedt in weemoed Demi Delia. Men landt! De Witten naderen Teen Pussy Webcam Oldenbarneveld, Van Beverning, van Hooft, van Fagel vergezeld I ü zoek ik niet vergeefs, verbreker van 's volks kluister, o Willem! Porn Tube.De ik een' Attila zie op zijn' zegewagen! GeveuGelt Oorlog, OFTE Roomse Min-triomfen, VAN M. ALLA MADRE. Wat wolk van zielen snelt van Oost en West haar tegen! Nog dartiend speelt hij aan mijn hand : En 'k zon dien dierbren grond Pornfilme Kostenlos De masten, zeil en wand door 't bliksemvuur getroffen.

Mit auch Sexfilm Jung Und Alt transsexual GeveuGelt tip mit einer receber concordo mit. -

Immer, die, noting Geile Japanische MäDchen she, die die heiesten Inhalte auf unserer Seite bietet. (20) Sy in’t geveugelt, en een ander in de vis. Maer ’k wou door een recht-veerdig hemel-teeken Dat haer dien brok eens in den bek bleef steken, En dat dien Reekel, die my nu mijn sprong belet Als een bepiste Paep quam sonder mes van’t bed. (25) Ah! al te soet om Esels geld te trekken;. vondel* j)erde deel. gedreht by m. it. binger, te amsterdam. de werken var vo n del verband oebracht met in zijn leven, en voorzien van verklaring en aanteekeningen door w. j. van lennep. Geveugelt ook hier.. Behandel een ander zoals jezelf ook behandeld wil worden. woensdag 4 december @ # utopia Trust me Trust you! quote: Op woensdag 4 december schreef Petzi het volgende: [..] Krijg ook al jaren niets meer van dat vervelende koppel.

Facebooktwitterredditpinterestlinkedinmail

1 Kommentar

  1. Fenrijora

    Es nicht so.

  2. JoJogar

    Diese Phrase fällt gerade übrigens

  3. Dojas

    Sie haben sich wahrscheinlich geirrt?

Schreibe einen Kommentar

Deine E-Mail-Adresse wird nicht veröffentlicht. Erforderliche Felder sind mit * markiert.

« Ältere Beiträge